Maart 2006
 VHV Online
Jaargang 10, Nummer 5

Voor Het Voetlicht: Jascha Albracht

Jascha Albracht Nadat ik ook mijn kunsten als TomTom heb kunnen vertonen, komt Jascha op maandag 20 maart bij mij thuis binnenrollen voor een interview. Een verontschuldigende glimlach op zijn gezicht voor de zoekpartij in mijn wijk. Hij zit midden in een verhuizing en moet deze week ook nog voor een concert naar Zürich, dus ik ben blij dat hij een gaat je in zijn drukke agenda kon vinden. De Bernardel uit 1865 wordt voorzichtig weggezet, en we installeren ons met een kop thee voor wat een gezellig gesprek wordt over cello en zo.

Eigenlijk wilde Jascha vroeger helemaal geen cello spelen, maar viool! Echter met een vader die piano speelt, een moeder die altviool speelt en een zusje dat viool speelt ontbrak er natuurlijk nog een cello… Achteraf, geeft hij toe, is het maar goed dat hij geen viool is gaan spelen, met zó’n zusje.

Hoewel er behalve violisten ook genoeg pianisten waren thuis, heeft Jascha ook hoofdvak piano gedaan aan het conservatorium. Normaal gesproken geeft hij ook pianoles, maar vanwege de recente verhuizing en een hoop activiteiten rond de cello is dat wat op de achtergrond geraakt. Daardoor is lesgeven nu weliswaar niet echt een financiële noodzaak, maar het zou wel leuk zijn om weer een paar leerlingen te hebben.

Ik vraag hem of hij er zich van bewust is dat hij ook acteertalent heeft. Ik doel op het ICT-gala van 14 maart, waarbij zijn verrichtingen uitvergroot op een videoscherm werden geprojecteerd. Heel PSO stond achter de coulissen te kijken hoe hij het presteerde ontspanning en plezier uit te stralen, terwijl hij een dergelijk waanzinnig moeilijk stuk zat te spelen. Vooral die blik van “ha, hoor mij nou eens even lekker raggen op die cello!” vond ik persoonlijk echt aanstekelijk werken. Zelf is hij overduidelijk blij dat hij van die opname van tevoren niets heeft afgeweten. Maar hij beaamt dat dat nou ook nét het leuke van Gulda is; die enorme uitdaging om iets wat eigenlijk onspeelbaar moeilijk is, tóch onder de knie te krijgen door creatief naar oplossingen te zoeken, ook al zijn ze niet perfect. Hij heeft er behoorlijk hard maar met veel plezier aan gestudeerd.

In september 2005 heeft hij Gulda ook uitgevoerd met het Nederlands Theater Orkest. Toen was dat nog volkomen nieuw repertoire voor hem, en hij heeft twee maanden de tijd gehad om zich voor te bereiden. In het begin, zegt hij, heeft hij echt getwijfeld of hij zo’n onlogisch en on-cellistisch geschreven stuk ooit uit zijn hoofd zou kunnen spelen.

Het roept bij mij de vraag op hoe die mooie oude Sebastien Philippe Bernardel uit 1865 dat eigenlijk vindt. Die moet zich toch dood schrikken van dit soort muziek, en dan ook nog met een versterker? Jascha moet erom lachen, maar geeft me wel gelijk. Deze cello is natuurlijk met een heel andere intentie gebouwd, hoewel het wel een heel robuuste cello is die heel weerbarstig is om te bespelen. Je krijgt er niets op cadeau. Hij vertelt dat dat ook een beetje het kenmerk is van Franse cello’s; je moet er goed je best voor doen en zoeken naar een soort optimum, als je daarentegen weer teveel doet dan druk je alle klank dood. Een uitdaging waar hij nog steeds mee worstelt, maar het wordt beter. Ook omdat hij inmiddels iets aan het instrument heeft laten veranderen. Hij heeft de Bernardel nu een jaar onder zijn hoede, maar de eerste 8 maanden heeft hij er echt mee lopen rommelen, tot hij omwille van zijn eigen speelplezier besloot de snaarhoogte aan te laten passen en de stapel wat minder strak tussen de bladen te laten zetten. Sinds die veranderingen klinkt de cello ineens heel anders, maar Jascha kan er nu tenminste beter mee uit de voeten.

Ik ben benieuwd of je dat eigenlijk zomaar mag laten doen. En dat brengt het gesprek op de waarde van zijn cello, en hoe Jascha met die wetenschap omgaat. “Als ik ermee in de auto rij, dan denk ik: o god, ik heb een stokoude auto, die cello is ongeveer 100 maal zoveel waard, als het niet méér is. En dat is toch een raar idee. Dan rij je in zo’n autootje over de snelweg, en dan moet je er toch niet aan denken dat er iemand tegenaan knalt. Maar eigenlijk moet je er toch maar een beetje losjes mee omspringen terwijl je blijft beseffen dat het een mooi instrument is, en dat je bevoorrecht bent dat je erop mag spelen.”

Vóór hem heeft er in ieder geval een cellist van het Concertgebouworkest op de Bernardel gespeeld, maar verder kent hij de historie van het instrument niet. Jascha kreeg de Bernardel van het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds voor 6 jaar in bruikleen. Maar daar hangt wel een prijskaartje aan. Voor 10 jaar op deze cello spelen is hij ongeveer 17.000 euro kwijt, en dan heeft hij dus alleen 10 jaar op dat ding mogen spelen en verder bezit hij dan nog niks. En daar komen alle onderhoudskosten en reparaties ook nog bij. In 10 jaar zou dat zomaar kunnen oplopen naar 25.000 euro. Je kunt natuurlijk ook gewoon een cello kopen voor dat bedrag, er 10 jaar op spelen, en dan is hij 30.000 euro waard… Best een lastige keuze. Jascha’s eigen cello uit 1685 staat nu trouwens als reservecello een beetje zielig in een hoek afgeleefd te wezen.

Jascha heeft o.a. les gehad van Michael Müller en Alexander Petrasch. Ik vraag hem of hij nog contact heeft met zijn leraren, en of ze volgen waar hij nu mee bezig is. Hij vertelt over zijn laatste docent de Russische professor Alexander Petrasch in Maastricht; niet degene waar hij het langst les van heeft gehad, maar wel de meeste lessen. Na jaren die gekenmerkt werden door teveel vrijheid had hij het idee dat hij nog niet uit de cello en uit zijn spel had gehaald wat erin zat, en koos voor een docent van wie hij gemiddeld 5 uur per week les kreeg. Dan móet je wel studeren om die enorme berg repertoire onder de knie te krijgen. Naar eigen zeggen is hij er substantieel beter door gaan spelen. Hij gaat af en toe ook nog wel eens terug voor een les. Voor Gulda heeft hij ook een les genomen, bij de solocellist van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, ongeveer één week voor het concert met ons. Maar verder is hij blij om nu eindelijk in vrijheid te kunnen doen wat en hoe hij het zelf wil. Lekker zelf iets smeden van alle input die hij heeft gehad.

Naast de functie van eerste remplaçant bij het Metropole Orkest, valt Jascha ook regelmatig in bij het Brabants Orkest en het Symfonie Orkest van Aken (Duitsland). Het levert hem zeer verschillende ervaringen op, waarbij aanpassen de grote kunst is. Verder zijn daar nog het cello/pianoduo samen met Laura de Lange (klassiek repertoire), Gulda, de tango’s van Astor Piazzolla en het project “Klassieke Muziek voor Dummies”, met Laura de Lange en Bas Volkers. Hij merkt onmiddellijk op dat laatstgenoemd project bepaald niet onderdoet voor een ‘serieus’ klassiek concert; het kostte veel tijd om met een concept te komen dat goed werkte voor mensen die hoegenaamd geen verstand van klassieke muziek hebben. PowerPoint en voorbeelden van tv en internet maakten toen trouwens ook deel uit van het programma, en het werd een succes. Hij vindt het daarbij gewoon leuk om veel verschillende dingen te doen. Eigenlijk alles behalve….barokmuziek! Gamba’s en vedels, daar heeft hij niet veel mee. Dan komt er een mooie anekdote opborrelen. Voor een grote Argentijns-Nederlandse theatertour met tangomuziek van Piazzolla heeft hij destijds een last-minute auditie gedaan, gewoon omdat de muziek hem trok. Twee dagen van tevoren viste hij een stuk van Piazzolla uit de bibliotheek, en dacht “we zien wel”. Geen tijd om zenuwachtig te worden. Trein ook nog gemist, dus te laat. Zijn moeder gebeld, zo van “moet ik dit nog wel doen?”. En zij zei: “Stap nou toch maar in de trein ook al ben je te laat, voor het idee.” Er was niet eens meer tijd om in te spelen. Best stoer vindt hij achteraf, en hij werd nog geselecteerd ook! In plaats van uit zijn dak te gaan, toen hij het goede nieuws kreeg, reageerde hij met een gortdroog “goh, leuk dat ik het ben geworden”. Ik vind het typisch iets voor Jascha, maar volgens hem vonden ze het daar echt een heel stomme reactie van hem.

Jascha speelde in 1996 voor het eerst mee in het PSO. Wat hij nog steeds bijzonder vindt aan dit orkest is dat het zo ambitieus is, en daarmee veel dingen bereikt. Een dergelijk hoog niveau met omvangrijke stukken en zalen als het Muziekcentrum Frits Philips en het Concertgebouw is volgens hem echt uitzonderlijk. Er zijn maar weinig orkesten die dat kunnen bieden, en volgens hem moeten we daar echt heel trots op zijn. Wat hem wel spijt is het feit dat hij ondanks zijn jarenlange relatie met het PSO onze tournees naar China, Thailand en Italië juist allemaal heeft gemist. De video van Thailand is trouwens recentelijk nog door hem bekeken, om er een idee van te krijgen hoe Roeland Duijne Gulda destijds met ons heeft gespeeld. Weliswaar stonden er maar een paar fragmenten op de band, maar dat was genoeg om te weten hoe hoog het tempo uiteindelijk zou komen te liggen.

Ik vraag hem wie zijn grote voorbeeld is. Hij aarzelt, want momenteel heeft hij niemand in het bijzonder voor ogen. Maar aan het begin van zijn studie was er wel de Rus Daniel Shafran, die soms dramatisch slecht kon spelen, maar vaak juist ook weer fantastisch. Jascha had nog wel een keer een masterclass bij hem willen doen, maar hij is intussen overleden. “Rare vent, en een raar soort manier van spelen. Maar wel heel intens, en dat sprak mij heel erg aan.” We praten verder over die intense speelstijl van de Russen, en komen op Natalia Gutman. Jascha vertelt dat hij net een stok heeft gekocht die voor haar was gebouwd, maar die ze uiteindelijk niet wilde hebben. “Het grappige is dat de slof van die stok ook heel klein is, want Natalia is maar een klein vrouwtje. Hoewel ik best grote handen heb, vind ik die stok erg fijn spelen. Een intuïtieve keuze, want ik heb de Russische school van spelen geleerd, en de stok die ik dan fijn vind blijkt uitgerekend voor Natalia Gutman te zijn gebouwd… Een fantastische celliste trouwens, met een enorme power.”

Aan het eind van ons gesprek vraag ik nieuwsgierig wat hij de komende jaren hoopt te bereiken. Zijn concertagenda is de komende tijd aardig vol (kijk op www.cellopianoduo.nl). Maar Jascha wil het liefst alsnog een vaste baan in een orkest zien te bemachtigen. Helaas is dat nu twee keer nét niet gelukt, maar de aanhouder wint…hoewel de concurrentie echt moordend is. Hij vertelt dat hij dat niet had verwacht toen hij ging studeren; toen leek een baan in bijvoorbeeld Het Brabants Orkest nog aardig binnen bereik te liggen. Maar inmiddels zijn er ontzettend veel musici uit het Oostblok en Azië deze kant op gekomen voor een baan. “Als ik dat had geweten… of als ik 4 jaar later was gaan studeren, dan was ik het nooit gaan doen. Dan was ik psychologie of psychiatrie gaan studeren. Dat had me heel leuk geleken. Maar voorlopig haal ik er nu uit wat er in zit. Een vaste baan in een orkest biedt als voordeel dat je de rest er een beetje omheen kunt bouwen. Mijn leven is nu heel ongestructureerd, ik ben dan dit en dan dat aan het doen, en dat is leuk maar ook best lastig. Ik functioneer eigenlijk beter als er meer systeem in zit.”

Ik rond het interview af met de opmerking dat ik nu wel genoeg stof heb om de hele VHV vol te kunnen schrijven. Jascha lacht: “Dat wordt dan de eerste echte familiespecial, want De Week Van… mijn moeder komt er ook in, geloof ik!”

door: Marielle Boekraad

Maart 2006
Vorige artikel | Volgende artikel
Naar de vaste rubrieken in VHV Online
Inhoud VHV Online Maart 2006 | Colofon
PSO Home © 2006 VHV Media Groep, Eindhoven